|
Ruben en de Romein
Op een herfstige novembermiddag stappen Ruben en zijn moeder bij mij de praktijk binnen. Hij gluurt verlegen onder zijn donkere lange haar vandaan en geeft aarzelend een handje. Negen jaar is Ruben en het begint steeds meer op te vallen dat hij zo verlegen is en niet in staat voor zichzelf op te komen. Zijn ouders en ook de juf op school maken zich zorgen. Ruben is regelmatig het mikpunt van pesterijen van klasgenootjes. Hij ondergaat dat gelaten en trekt zich steeds meer terug. En wie hem ook vertelt dat hij wat meer ‘van zich af moet bijten’, niets helpt. Ook de sociale vaardigheidstraining niet. Ruben weet wel wat hij moet doen, maar hij doet het gewoonweg niet. Als ik hem vraag uit te leggen waarom hij dat niet doet, kijken zijn donkere ogen de verte in en zegt hij: ‘dat mag ik nooit meer doen’. Het klinkt alsof het voor hem de gewoonste zaak van de wereld is. En dat neem ik zonder meer van hem aan. Maar als therapeut wil ik er natuurlijk wel iets meer van weten! Dus vraag ik: ’wát mag je dan nooit meer doen?’ De blik van Ruben op dat moment drukt van alles uit: verbazing over zo veel onwetendheid, weerstand en nog iets anders, waardoor hij bijna fluisterend antwoordt: ‘Nou, dát natuurlijk …… mensen pijn doen en de baas spelen ….’ Zijn lange haren bedekken zijn ogen. Hij zit er bij als iemand die zich diept schaamt. ‘Zeg Ruben, kun jij eens iemand tekenen in een andere tijd en op een andere plaats die de baas speelt en mensen pijn doet? Hoe ziet zo iemand er uit?’ Pijnlijk getroffen kijkt hij mij aan, maar toch gaat zijn hand aarzelend naar de kleurpotloden. En daar verschijnt onmiskenbaar een Romeinse militair op papier. Hij kleurt het plaatje zorgvuldig in en lijkt ondertussen steeds zelfbewuster te worden. ‘Stel je eens voor Ruben, als je die man zou zijn, hoe zou je je dan voelen?’ Ruben’s hoofd schiet omhoog, zijn donkere ogen schieten vuur en fonkelen vervaarlijk. ‘Ik ben sterk en machtig en iedereen moet naar mij luisteren.’ Nou, dat is mij wel duidelijk. ‘Maar wat als mensen dat niet doen?’ ‘Ze moeten’, schreeuwt hij ‘en anders martel ik ze en maak ik ze dood. Ik spies ze aan mijn speer of ik gooi ze voor de leeuwen.’ Het kleine bedeesde mannetje is helemaal verdwenen. Voor mij zit een machtig man, die de hele kamer lijkt te vullen. Het verhaal ontvouwt zich verder. Als machtig Romein heeft hij veel mensen ter dood laten brengen, waarbij hij geen zachtzinnige methodes hanteerde. Het woord genade kende hij niet. Spijt kwam in zijn woordenboek niet voor. Althans tot aan het moment dat zijn dood nadert. Hij tekent zichzelf op zijn sterfbed, hulpeloos en ziek. En in het zicht van de dood komt het besef. Er lopen tranen uit zijn donkere ogen, als hij zich realiseert wat hij heeft gedaan. ‘O nee’, kreunt hij, ‘dit mag ik nooit, nooit meer doen. Ik heb mijn macht misbruikt. Ik wil nooit meer sterk en machtig zijn. Nu moet ík het maar eens voelen …….’ En in vertwijfeling sterft de grote sterke Romein. Zijn ziel zweeft door tijd en ruimte en verbindt zich eeuwen later met een nieuw mensenkind in wording. Maar ondanks de verstreken tijd zijn de schaamte, de angst voor kracht en mensen pijn doen, nog springlevend. ‘Zeg Ruben, vind jij dat het na zoveel jaren van spijt niet genoeg is voor die oude Romein?’ ‘Al veel meer dan duizend jaar hè’, zegt Ruben nadenkend. ‘Ja, al meer dan duizend jaar.’ ‘Nou dat is wel genoeg’, zegt hij na enige aarzeling, met een frons in zijn voorhoofd. ‘Ik leg hem dat wel even uit.’ Voor de zekerheid tekent hij zichzelf en de Romein naast elkaar en knipt de figuren van elkaar los. Al knippend vertelt hij dat hij wel denkt dat hij vanaf nu voor zichzelf mag opkomen. Als hij afscheid neemt, veegt hij het haar uit zijn ogen en kijkt mij vrolijk aan. Het komt wel goed met Ruben! Martha Rijkmans (c) December 2010
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]()
|
||||||||||||